Achtergrond adviesmodule.

Dacom: uw bondgenoot tegen Phytophthora
De adviesmodule Phytophthora Infestans in aardappelen werkt volgens het principe dat een bespuiting alleen moet worden uitgevoerd op het moment dat het nodig is. Hiervoor worden de volgende gegevens verzameld: de hoeveelheid onbeschermd blad en de kans op infectie.

De mate van bescherming na een bespuiting is afhankelijk van de vorming van nieuwe, onbeschermde bladeren (groene lijn) en de slijtage van het middel door weersomstandigheden. Het gele gedeelte stelt het onbeschermde blad voor.

 


De grafiek geeft een prognose over drie dagen.
Infectiekansen worden bepaald door de hoeveelheid schimmelpluis (groene lijn) en de verspreiding van deze sporen door de lucht (blauwe lijn).
Bij periodiek spuiten wordt bijna altijd een nieuwe laag middel aangebracht terwijl de bescherming nog ruim afdoende is. Het Dacom-model maakt aan deze verspilling een einde, en bespaart tot 44% aan gewasbeschermingsmiddelen.

 

 

Tijdens het teeltseizoen ontstane infectiebronnen worden gerapporteerd aan de Dacom databank. Dacom toont een kaart van de omgeving van het perceel, waarop de locatie van het aardappelveld ten opzichte van de geobserveerde infectiebronnen te zien is.

Meer over de werking van het adviessysteem:

De hoeveelheid onbeschermd blad wordt bepaald door twee omstandigheden: de groei van nieuwe bladeren (bepaald door waarnemingen van de scout) en de slijtage van het middel na de laatste bespuiting (ingegeven via de registratiemodule). De slijtage van het middel is afhankelijk van het type middel, de dosering, en de hoeveelheden neerslag en zonlicht. De infectiekansen worden berekend op basis van drie gegevens: sporenvorming, sporenvlucht en indringing in het blad.

De sporenvorming wordt berekend aan de hand van luchtvochtigheid en temperatuur. Per uur wordt berekend of er wel of geen nieuw schimmelpluis gevormd kan worden.

De sporenvlucht bepaalt de hoeveelheid sporen boven het perceel. Uitgangspunt hierbij is de sporenvorming, Dit wordt gerelateerd aan de op het moment aanwezige ziektebronnen (uit het haardmeldnetwerk). De sporen worden uitgestoten op het moment dat de luchtvochtigheid sterk daalt. Op dat moment wordt de heersende windrichting bepaald en gekeken naar het aantal, de afstand en het aantastingsniveau van de haarden in die sector.

De indringing in het blad bepaalt uiteindelijk de infectiekans. Een succesvolle indringperiode wordt bepaald door de hoeveelheid sporen en de bladnatduur. De bladnatperiode wordt berekend door de metingen van het weerstation (in een neutrale omgeving) met behulp van de gewaswaarneming om te rekenen naar het gewasklimaat. De kritieke bladnatduur wordt bepaald door het ras en de temperatuur. Wordt deze kritieke periode overschreden en zijn er op dat moment veel sporen, dan ontstaat een infectiekans.